Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

11 слов · страница 1 из 1

  • onafhankelijkA2

    независимый

    De rechter oordeelt onafhankelijk.

  • ongeduldigA2

    нетерпеливый

    Ze wachtte ongeduldig op het antwoord.

  • ongerustA2

    встревоженный

    Ik was ongerust toen je niet belde.

  • onmogelijkA2

    невозможный

    Het is onmogelijk om alles in één dag te doen.

  • onrustigA2

    беспокойный

    Ik sliep onrustig voor het examen.

  • openA1

    открытый

    De winkel is nog open.

  • openbaarA1

    публичный, общественный

    De vergadering is openbaar.

  • opgeluchtA2

    испытавший облегчение

    Ik was opgelucht toen het voorbij was.

  • opgewektA2

    жизнерадостный

    Ze is meestal heel opgewekt.

  • oranjeA1

    оранжевый

    Het Nederlands elftal speelt in oranje.

  • oudA1

    старый

    Dit is een oud gebouw.