Словарь
61 слов · страница 3 из 3
oranjeA1
оранжевый
Het Nederlands elftal speelt in oranje.
oudA1
старый
Dit is een oud gebouw.
oudersA1
родители
Mijn ouders wonen nog in Polen.
ovenA2
духовка
Zet de oven op 180 graden.
ovenschaalA2
форма для запекания
Doe alles in een ovenschaal.
overA1
о; через (время)
We praten later over dit probleem.
overalA2
везде
Er liggen overal fietsen.
overmorgenA1
послезавтра
Overmorgen begint mijn vakantie.
overstappenA2
делать пересадку
In Utrecht moet je overstappen.
overurenA2
сверхурочные часы
Deze week heb ik veel overuren gemaakt.
overzichtA2
обзор, сводка
Hier is een overzicht van de kosten.

