Словарь
49 слов · страница 1 из 2
naA1
после
Na het eten gaan we wandelen.
naamA1
имя
Wat is jouw naam?
naarA1
к, в (направление)
Ik ga naar mijn werk.
naastA1
рядом с
Hij zit naast mij.
nachtA1
ночь
Vannacht heb ik slecht geslapen.
nachtdienstA2
ночная смена
Deze week heb ik nachtdienst.
nadenkenA2
обдумывать
Ik moet er nog even over nadenken.
nagelA1
ноготь
Mijn nagels zijn te lang.
nagerechtA2
десерт
Als nagerecht is er ijs.
namelijkA2
дело в том, что
Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.
natA1
мокрый
Mijn jas is helemaal nat.
naturalisatieB1
натурализация
Na naturalisatie krijg je het Nederlandse paspoort.
natuurbeheerB1
управление природными территориями
Natuurbeheer kost veel geld.
natuurbeschermingB1
охрана природы
Natuurbescherming is bij wet geregeld.
natuurervaringB1
общение с природой
Kamperen geeft een echte natuurervaring.
natuurlijkB1
естественный; конечно
Dit is een natuurlijk product.
natuurrampB1
стихийное бедствие
De natuurramp trof duizenden mensen.
natuurwandelingB1
прогулка на природе
Zondag maken we een natuurwandeling.
nauwkeurigB1
точный, аккуратный
Dit werk moet nauwkeurig gebeuren.
navragenB1
уточнять, узнавать
Ik zal het even navragen bij de gemeente.
nazorgB1
последующий уход
Na de operatie krijgt u nazorg thuis.
neefA1
двоюродный брат, племянник
Mijn neef is even oud als ik.
neerslagB1
осадки
Er wordt veel neerslag verwacht.
negenA1
девять
De winkel opent om negen uur.
negentigA1
девяносто
Hij werd negentig jaar oud.

