Словарь
84 слов · страница 1 из 4
maagA1
желудок
Ik heb last van mijn maag.
maaltijdA2
приём пищи
Dit is de belangrijkste maaltijd van de dag.
maandA1
месяц
Volgende maand ga ik op vakantie.
maandagA1
понедельник
Op maandag begin ik om negen uur.
maandbedragA2
ежемесячная сумма
Het maandbedrag is 45 euro.
maandelijksA1
ежемесячно
De huur betaal je maandelijks.
maandlastenB1
ежемесячные расходы
Mijn maandlasten zijn dit jaar gestegen.
maarA1
но
Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.
maartA1
март
De cursus start in maart.
maatA2
размер
Heeft u dit in een grotere maat?
magnetronA2
микроволновка
Warm het even op in de magnetron.
mailenA2
отправлять по почте (эл.)
Ik mail je de documenten vanavond.
makenA1
делать, изготавливать
Ik maak het eten klaar.
makkelijkA1
лёгкий
Deze oefening is makkelijk.
manA1
мужчина
Die man werkt in de winkel.
manierA2
способ
Dat is een handige manier om te oefenen.
marktA2
рынок
Op zaterdag is er markt op het plein.
matrasA1
матрас
Dit matras is te zacht voor mij.
mededelingB1
объявление, уведомление
Er hangt een mededeling op het prikbord.
medestudentA2
однокурсник
Ik oefen samen met een medestudent.
medicatieB1
медикаменты
Neem uw medicatie mee naar het gesprek.
medicijnA2
лекарство
Neem dit medicijn twee keer per dag.
medicijnkastB1
аптечка
Bewaar medicijnen in de medicijnkast.
medicijnkuurB1
курс лекарств
Maak de medicijnkuur helemaal af.
medicijnvoorschriftB1
рецепт на лекарство
Zonder medicijnvoorschrift krijg je dit niet.

