Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

62 слов · страница 1 из 3

  • maagA1

    желудок

    Ik heb last van mijn maag.

  • maaltijdA2

    приём пищи

    Dit is de belangrijkste maaltijd van de dag.

  • maandA1

    месяц

    Volgende maand ga ik op vakantie.

  • maandagA1

    понедельник

    Op maandag begin ik om negen uur.

  • maandbedragA2

    ежемесячная сумма

    Het maandbedrag is 45 euro.

  • maandelijksA1

    ежемесячно

    De huur betaal je maandelijks.

  • maarA1

    но

    Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.

  • maartA1

    март

    De cursus start in maart.

  • maatA2

    размер

    Heeft u dit in een grotere maat?

  • magnetronA2

    микроволновка

    Warm het even op in de magnetron.

  • mailenA2

    отправлять по почте (эл.)

    Ik mail je de documenten vanavond.

  • makenA1

    делать, изготавливать

    Ik maak het eten klaar.

  • makkelijkA1

    лёгкий

    Deze oefening is makkelijk.

  • manA1

    мужчина

    Die man werkt in de winkel.

  • manierA2

    способ

    Dat is een handige manier om te oefenen.

  • marktA2

    рынок

    Op zaterdag is er markt op het plein.

  • matrasA1

    матрас

    Dit matras is te zacht voor mij.

  • medestudentA2

    однокурсник

    Ik oefen samen met een medestudent.

  • medicijnA2

    лекарство

    Neem dit medicijn twee keer per dag.

  • meedoenA2

    участвовать

    Doe je mee met de cursus?

  • meelA1

    мука

    Voor dit recept heb je meel nodig.

  • meemakenA2

    переживать, испытывать

    Ik heb veel meegemaakt dit jaar.

  • meenemenA2

    брать с собой

    Neem je paspoort mee.

  • meerA1

    больше

    Ik heb meer tijd nodig.

  • meestalA2

    обычно

    Ik ga meestal met de fiets.