Словарь
12 слов · страница 1 из 1
mailenA2
отправлять по почте (эл.)
Ik mail je de documenten vanavond.
makenA1
делать, изготавливать
Ik maak het eten klaar.
meedelenB1
сообщать (официально)
Wij delen u mee dat de afspraak verzet is.
meedoenA2
участвовать
Doe je mee met de cursus?
meemakenA2
переживать, испытывать
Ik heb veel meegemaakt dit jaar.
meenemenA2
брать с собой
Neem je paspoort mee.
meldenB1
сообщать, уведомлять
U moet een verhuizing melden bij de gemeente.
merkenA2
замечать
Ik merk dat het beter gaat.
missenA2
пропустить; скучать
Ik heb de bus gemist.
moetenA1
быть должным
Ik moet nu weg.
mogenA1
можно, иметь право
Mag ik hier zitten?
motiverenB1
мотивировать
De docent weet studenten goed te motiveren.

