Словарь
41 слов · страница 1 из 2
maagA1
желудок
Ik heb last van mijn maag.
maaltijdA2
приём пищи
Dit is de belangrijkste maaltijd van de dag.
maandA1
месяц
Volgende maand ga ik op vakantie.
maandagA1
понедельник
Op maandag begin ik om negen uur.
maandbedragA2
ежемесячная сумма
Het maandbedrag is 45 euro.
maandelijksA1
ежемесячно
De huur betaal je maandelijks.
maartA1
март
De cursus start in maart.
maatA2
размер
Heeft u dit in een grotere maat?
magnetronA2
микроволновка
Warm het even op in de magnetron.
manA1
мужчина
Die man werkt in de winkel.
manierA2
способ
Dat is een handige manier om te oefenen.
marktA2
рынок
Op zaterdag is er markt op het plein.
matrasA1
матрас
Dit matras is te zacht voor mij.
medestudentA2
однокурсник
Ik oefen samen met een medestudent.
medicijnA2
лекарство
Neem dit medicijn twee keer per dag.
meelA1
мука
Voor dit recept heb je meel nodig.
meerA1
больше
Ik heb meer tijd nodig.
meesteA1
большинство
De meeste mensen komen met de fiets.
meiA1
май
Mijn verjaardag is in mei.
meisjeA1
девочка
Het meisje speelt buiten.
melkA1
молоко
Wil je melk in je koffie?
mensA1
человек
Hij is een aardig mens.
mensenA1
люди
Er waren veel mensen op het feest.
merkA2
марка, бренд
Welk merk koop jij meestal?
mesA1
нож
Dit mes is niet scherp.

