Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

14 слов · страница 1 из 1

  • lachenA1

    смеяться

    We hebben veel gelachen.

  • langskomenA2

    заходить, заглядывать

    Kom je vanavond even langs?

  • latenA2

    позволять; отдавать (в ремонт)

    Ik laat mijn fiets repareren.

  • leggenA1

    класть

    Leg het boek op tafel.

  • lenenA2

    одалживать

    Kan ik tien euro van je lenen?

  • lerenA2

    учить(ся)

    Ik leer nu een jaar Nederlands.

  • lezenA2

    читать

    Lees de tekst nog een keer.

  • liefhebbenB2

    любить

    Zij had haar vak oprecht lief.

  • liggenA1

    лежать, находиться

    Het boek ligt op tafel.

  • lijkenA1

    казаться

    Het lijkt me een goed idee.

  • likenB2

    лайкать

    Duizenden mensen likten de foto.

  • lopenA1

    ходить пешком

    Ik loop elke dag naar mijn werk.

  • luisterenA2

    слушать

    Luister goed naar de vraag.

  • lukkenA2

    удаваться

    Het is me gelukt!