Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

19 слов · страница 1 из 1

  • laagA1

    низкий

    De prijs is nu laag.


    de laag

    слой

    Er ligt een dikke laag sneeuw op straat.

  • het lakenA1

    простыня

    De lakens moeten in de was.

  • de lampA1

    лампа

    De lamp in de gang is kapot.

  • het landA1

    страна

    Uit welk land kom je?

  • de laptopA1

    ноутбук

    Thuis werk ik het liefst op mijn laptop.

  • de leeftijdA1

    возраст

    Wat is de leeftijd van je kinderen?

  • het legerA1

    армия

    Het leger hielp bij de evacuatie.

  • de lenteA1

    весна

    In de lente bloeien de tulpen.

  • de lepelA1

    ложка

    Ik eet soep met een lepel.

  • de lesA1

    урок, занятие

    De les Nederlands begint om negen uur.

  • de letterA1

    буква

    Schrijf je naam met grote letters.

  • levenA1

    leefde · hebben geleefd

    жить

    Mijn opa leeft nog en is al negentig jaar.


    het leven

    жизнь

    Het leven hier is heel anders.

  • het lichaamA1

    тело

    Beweging is goed voor je lichaam.

  • het lichtA1

    свет

    Doe het licht even aan.


    лёгкий; светлый

    Deze jas is heel licht, ideaal voor de zomer.

  • de limonadeA1

    лимонад

    De kinderen krijgen limonade.

  • de lipA1

    губа

    Mijn lippen zijn droog van de kou.

  • de longA1

    лёгкое

    Roken is slecht voor je longen.

  • de luciferA1

    спичка

    Heb je een lucifer?

  • de lunchA1

    обед

    De lunch is om half een.