Словарь
93 слов · страница 2 из 4
de keukenA1
кухня
De keuken is net schoongemaakt.
de keuzeA2
выбор
Er is genoeg keuze.
kiezenA1неправильный
koos · kozen · hebben gekozen
выбирать
Je moet zelf kiezen.
kijkenA1неправильный
keek · keken · hebben gekeken
смотреть
We kijken vanavond naar een film.
de kiloA1
килограмм
Een kilo appels kost op de markt twee euro.
de kinA1
подбородок
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
het kindA1
ребёнок
Het kind speelt in de tuin.
de kinderbijslagA2
детское пособие
Ouders krijgen elk kwartaal kinderbijslag.
de kipA1
курица
Ik eet liever kip dan rundvlees.
klaarA1
готов
Het eten is klaar.
klaarmakenA2отделяемый
maakte klaar · hebben klaargemaakt
приготовить
Ik maak het eten klaar.
de klantA2
клиент, покупатель
De klant heeft altijd gelijk.
de klantenkaartA2
карта постоянного клиента
Met een klantenkaart spaar je punten.
de klantenserviceA2
служба работы с клиентами
Bel de klantenservice als het niet werkt.
de klasA1
класс (группа учеников)
In mijn klas zitten studenten uit tien landen.
de klasgenootA2
одноклассник
Mijn klasgenoot komt uit Syrië.
het klaslokaalA2
классная комната
Het klaslokaal is op de tweede verdieping.
de kledingA2
одежда (общее)
In deze winkel verkopen ze kleding voor kinderen.
kleinA1
маленький
Mijn kamer is klein maar gezellig.
de kleindochterA1
внучка
Zijn kleindochter gaat al naar school.
het kleinkindA1
внук, внучка
Zij heeft drie kleinkinderen.
de kleinzoonA1
внук
Haar kleinzoon is net geboren.
de klerenA1
одежда
Ik koop nieuwe kleren.
de kleurA1
цвет
Welke kleur vind je mooi?
klikkenA2
klikte · hebben geklikt
кликать, нажимать
Klik op de blauwe knop om verder te gaan.

