Словарь
11 слов · страница 1 из 1
jaarA1
год
Ik woon hier al drie jaar.
jaaropgaveB1
годовая справка о доходах
Bewaar je jaaropgave voor de belastingaangifte.
jaloersA2
завистливый, ревнивый
Hij is een beetje jaloers op zijn broer.
jamA1
джем, варенье
Ik eet brood met jam.
januariA1
январь
Mijn cursus begint in januari.
jasA1
куртка
Doe je jas aan, het is koud.
jongenA1
мальчик
Die jongen is mijn zoon.
jubileumB1
юбилей
De vereniging viert haar vijftigjarig jubileum.
juliA1
июль
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
июнь
In juni beginnen de examens.
jurkA1
платье
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.

