Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

191 слов · страница 1 из 8

  • haarA1

    волосы

    Zij heeft lang haar.

  • hagelB2

    град

    De hagel beschadigde de gewassen.

  • hagelslagA1

    шоколадная посыпка

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • halenA2

    забирать, приносить

    Ik haal even brood.

  • halfA1

    половина

    Het is half acht.

  • halloA1

    привет

    Hallo, hoe gaat het?

  • halteA2

    остановка

    De halte is om de hoek.

  • hamA1

    ветчина

    Ik neem een boterham met ham.

  • hamerB2

    молоток

    Sla de spijker met de hamer erin.

  • handA1

    рука (кисть)

    Was je handen voor het eten.

  • handdoekA1

    полотенце

    De handdoek hangt in de badkamer.

  • handelsbalansB2

    торговый баланс

    Nederland heeft een positieve handelsbalans.

  • handelsgeestB2

    торговая жилка

    De Nederlandse handelsgeest is spreekwoordelijk.

  • handelsoverschotB2

    положительное сальдо торговли

    Nederland heeft een groot handelsoverschot.

  • handelsregisterB2

    торговый реестр

    Elk bedrijf staat in het handelsregister.

  • handgebaarB2

    жест рукой

    Datzelfde handgebaar betekent elders iets anders.

  • handhavingB2

    обеспечение соблюдения правил

    Zonder handhaving blijft de regel een papieren tijger.

  • handhygiëneB2

    гигиена рук

    Goede handhygiëne voorkomt de meeste besmettingen.

  • handicapB2

    инвалидность

    Met een handicap heb je recht op aanpassingen.

  • handigA1

    удобный, практичный

    Dat is een handige app.

  • handleidingB2

    руководство

    De handleiding staat online in zes talen.

  • hardA1

    твёрдый; громкий

    Het bed is te hard.

  • hardlopenB1

    бегать, бег

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • haringB2

    сельдь

    Verse haring eet je met ui.

  • harkB2

    грабли

    Hark de bladeren bij elkaar.