Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

14 слов · страница 1 из 1

  • halenA2

    забирать, приносить

    Ik haal even brood.

  • hardlopenB1

    бегать, бег

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • hebbenA1

    иметь

    Wij hebben twee kinderen.

  • helpenA2

    помогать

    Kun je me even helpen?

  • herhalenB1

    повторять

    Kunt u dat herhalen, alstublieft?

  • herinnerenA2

    помнить, вспоминать

    Ik herinner me haar naam niet meer.

  • herkennenA2

    узнавать

    Ik herkende hem meteen.

  • herstellenB1

    выздоравливать

    Hij is goed hersteld na de operatie.

  • hetenA1

    называться, зваться

    Hoe heet jij?

  • hoestenA2

    кашлять

    Het kind hoest de hele nacht.

  • hopenA1

    надеяться

    Ik hoop dat het lukt.

  • horenA1

    слышать

    Ik hoor je niet goed.

  • houdenA1

    держать; любить (van)

    Ik houd van koffie.

  • huilenA1

    плакать

    De baby huilt de hele nacht.