Словарь
6 слов · страница 1 из 1
hebbenA1
иметь
Wij hebben twee kinderen.
hetenA1
называться, зваться
Hoe heet jij?
hopenA1
надеяться
Ik hoop dat het lukt.
horenA1
слышать
Ik hoor je niet goed.
houdenA1
держать; любить (van)
Ik houd van koffie.
huilenA1
плакать
De baby huilt de hele nacht.

