Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

24 слов · страница 1 из 1

  • het haarA1

    волосы

    Zij heeft lang haar.


    её (притяжательное)

    Anna zoekt haar sleutels in haar tas.

  • de hagelslagA1

    шоколадная посыпка

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • de hamA1

    ветчина

    Ik neem een boterham met ham.

  • de handA1

    рука (кисть)

    Was je handen voor het eten.

  • de handdoekA1

    полотенце

    De handdoek hangt in de badkamer.

  • het hartA1

    сердце

    Mijn hart klopt snel.

  • de hartslagA1

    пульс, сердцебиение

    Mijn hartslag gaat snel na het sporten.

  • het hekA1

    забор, калитка

    Doe het hek achter je dicht.

  • de helftA1

    половина

    De helft van de klas was ziek.

  • de herfstA1

    осень

    In de herfst waait het vaak hard.

  • de hersenenA1

    мозг

    Slaap is belangrijk voor je hersenen.

  • de heupA1

    бедро

    Mijn oma heeft een nieuwe heup.

  • de hoekA1

    угол

    De bakker zit om de hoek.

  • de hondA1

    собака

    De hond moet hier aangelijnd zijn.

  • de hongerA1

    голод

    Ik heb honger.

  • de honingA1

    мёд

    Doe wat honing in je thee.

  • het hoofdA1

    голова

    Mijn hoofd doet pijn.


    глава, руководитель

    Het hoofd van de afdeling neemt het besluit.

  • het horlogeA1

    наручные часы

    Mijn horloge loopt achter.

  • het hotelA1

    гостиница

    We slapen twee nachten in een hotel in Brugge.

  • de huidA1

    кожа

    Bescherm je huid tegen de zon.

  • het huisA1

    дом

    Ik woon in een klein huis.

  • de huisgenootA1

    сосед по квартире

    Mijn huisgenoot kookt vanavond.

  • de hulpA1

    помощь

    Bedankt voor je hulp.

  • het huwelijkA1

    брак, свадьба

    Hun huwelijk was in juni.