Словарь
65 слов · страница 1 из 3
haarA1
волосы
Zij heeft lang haar.
hagelslagA1
шоколадная посыпка
Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.
halenA2
забирать, приносить
Ik haal even brood.
halfA1
половина
Het is half acht.
halloA1
привет
Hallo, hoe gaat het?
halteA2
остановка
De halte is om de hoek.
hamA1
ветчина
Ik neem een boterham met ham.
handA1
рука (кисть)
Was je handen voor het eten.
handdoekA1
полотенце
De handdoek hangt in de badkamer.
handigA1
удобный, практичный
Dat is een handige app.
hardA1
твёрдый; громкий
Het bed is te hard.
hartA1
сердце
Mijn hart klopt snel.
hartslagA1
пульс, сердцебиение
Mijn hartslag gaat snel na het sporten.
hebbenA1
иметь
Wij hebben twee kinderen.
heelA1
очень; целый
Het is heel warm vandaag.
hekA1
забор, калитка
Doe het hek achter je dicht.
helaasA2
к сожалению
Helaas kan ik niet komen.
helftA1
половина (часть)
De helft van de klas was ziek.
helpenA2
помогать
Kun je me even helpen?
herfstA1
осень
In de herfst waait het vaak hard.
herhalingA2
повторение
Volgende week is er een herhaling van de grammatica.
herinnerenA2
помнить, вспоминать
Ik herinner me haar naam niet meer.
herkennenA2
узнавать
Ik herkende hem meteen.
hersenenA1
мозг
Slaap is belangrijk voor je hersenen.
herstelA2
выздоровление
Beterschap en een goed herstel!

