Словарь
42 слов · страница 1 из 2
gaanA1неправильный
ging · gingen · zijn gegaan
идти, ехать
Ik ga morgen naar Amsterdam.
de gangA1
коридор
Zet je schoenen in de gang.
de garageA1
гараж
De fiets staat in de garage.
gauwA1
скоро
Tot gauw!
het gebakA1
выпечка, пирожное
Bij de koffie was er gebak.
gebeurenA1
gebeurde · zijn gebeurd
происходить
Wat is er gebeurd?
geborenA1
родившийся (ben geboren: родился)
Ik ben in 1990 in Syrië geboren.
het gebruikA1
использование
Het gebruik van de app is gratis.
gebruikenA1
gebruikte · hebben gebruikt
использовать
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geelA1
жёлтый
De bloemen in de tuin zijn geel.
geenA1
нет, никакой
Ik heb geen tijd.
het geldA1
деньги
Ik heb geen geld bij me.
geledenA1
(тому) назад
Ik ben drie jaar geleden naar Nederland gekomen.
gelijkA1
прав; одинаковый
Je hebt gelijk.
gelovenA1
geloofde · hebben geloofd
верить
Ik geloof je wel.
het gelukA1
удача, счастье
Veel geluk met je nieuwe baan!
gelukkigA1
счастливый; к счастью
Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.
genietenA1неправильный
genoot · genoten · hebben genoten
наслаждаться
Ik geniet van het rustige weekend.
genoegA1
достаточно
Er is genoeg eten voor iedereen.
het gereedschapA1
инструменты
Het gereedschap ligt in de schuur.
de geschiedenisA1
история
De geschiedenis van dit gebouw is bijzonder.
het gesprekA1
разговор
We hebben een goed gesprek gehad.
het getalA1
число
Schrijf het getal in cijfers.
getrouwdA1
женат / замужем
Zij is al tien jaar getrouwd.
gevenA1неправильный
gaf · gaven · hebben gegeven
давать
Geef mij het zout, alsjeblieft.

