Словарь
37 слов · страница 1 из 2
e-mailberichtB1
электронное письмо
Ik stuurde een e-mailbericht naar de gemeente.
echtA1
настоящий, действительно
Is dat echt waar?
echtgenootA1
супруг
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
eerstA1
сначала
Ik ga eerst douchen.
eerstelijnszorgB1
первичная медпомощь
De huisarts hoort bij de eerstelijnszorg.
eetgewoonteA2
пищевая привычка
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
eetlustA2
аппетит
Door de koorts heb ik geen eetlust.
eiA1
яйцо
Ik eet 's ochtends een ei.
eindtoetsA2
итоговый тест
De eindtoets is in juni.
elektriciteitA2
электричество
De elektriciteit is vanochtend uitgevallen.
elleboogA1
локоть
Ik heb mijn elleboog gestoten.
emmerA1
ведро
Vul de emmer met water.
energiekostenB1
расходы на энергию
De energiekosten zijn een groot deel van mijn budget.
energielabelA2
энергетический класс
Dit huis heeft energielabel C.
energierekeningB1
счёт за электроэнергию
Mijn energierekening is verdubbeld.
enkelA1
лодыжка
Ik heb mijn enkel verzwikt.
entreekaartB1
входной билет
De entreekaart kost twaalf euro.
envelopA1
конверт
Doe de brief in een envelop.
ervaringA2
опыт
Voor deze functie is ervaring nodig.
erwtA1
горох
Erwtensoep is een Nederlands wintergerecht.
etenA1
еда
Nederlands eten is soms heel simpel.
etiketA2
этикетка
Kijk even op het etiket.
evaluatieB1
оценка, разбор
Na het project volgt een evaluatie.
evenementB1
мероприятие
Het evenement trekt duizenden bezoekers.
examenB1
экзамен
Het examen is over twee weken.

