Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

10 слов · страница 1 из 1

  • echtA1

    настоящий, действительно

    Is dat echt waar?

  • echtgenootA1

    супруг

    Haar echtgenoot werkt in het buitenland.

  • eerstA1

    сначала

    Ik ga eerst douchen.

  • eiA1

    яйцо

    Ik eet 's ochtends een ei.

  • elleboogA1

    локоть

    Ik heb mijn elleboog gestoten.

  • emmerA1

    ведро

    Vul de emmer met water.

  • enkelA1

    лодыжка

    Ik heb mijn enkel verzwikt.

  • envelopA1

    конверт

    Doe de brief in een envelop.

  • erwtA1

    горох

    Erwtensoep is een Nederlands wintergerecht.

  • etenA1

    еда

    Nederlands eten is soms heel simpel.