Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

24 слов · страница 1 из 1

  • dalenB1

    daalde · zijn gedaald

    снижаться, опускаться

    De prijs van benzine is deze maand gedaald.

  • dankenB1

    dankte · hebben gedankt

    благодарить; быть обязанным (te danken aan)

    Ik wil iedereen danken voor de hulp bij de verhuizing.

  • dansenA2

    danste · hebben gedanst

    танцевать

    Op het feest werd er gedanst.

  • deelnemenB1отделяемыйнеправильный

    nam deel · namen deel · hebben deelgenomen

    участвовать

    Iedereen kan aan de cursus deelnemen.

  • delegerenB1

    delegeerde · hebben gedelegeerd

    делегировать

    Een goede leidinggevende kan delegeren.

  • delenA1

    deelde · hebben gedeeld

    делить(ся)

    We delen de kosten samen.

  • denkenA1неправильный

    dacht · dachten · hebben gedacht

    думать

    Ik denk dat het goed komt.

  • doenA1неправильный

    deed · deden · hebben gedaan

    делать

    Wat doe je in het weekend?

  • doorgaanB1отделяемыйнеправильный

    ging door · gingen door · zijn doorgegaan

    состояться; продолжать

    Door de regen kan de markt vandaag niet doorgaan.

  • doorgevenB1отделяемыйнеправильный

    gaf door · gaven door · hebben doorgegeven

    передавать

    Kun je dat aan je collega doorgeven?


    сообщать (данные, изменения)

    Geef een adreswijziging door aan de gemeente.

  • doorverbindenB1отделяемыйнеправильный

    verbond door · verbonden door · hebben doorverbonden

    соединять (по телефону)

    Ik verbind u door met de juiste afdeling.

  • doorverwijzenB1отделяемыйнеправильный

    verwees door · verwezen door · hebben doorverwezen

    направлять (к специалисту)

    De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.

  • downloadenA2

    downloadde · hebben gedownload

    скачивать

    Download de app op je telefoon.

  • draaienA2

    draaide · hebben gedraaid

    поворачивать, крутить

    Draai de sleutel twee keer om in het slot.

  • dragenA1неправильный

    droeg · droegen · hebben gedragen

    носить

    Hij draagt een zwarte jas.

  • dreigenA2

    dreigde · hebben gedreigd

    угрожать

    Hij dreigde met een rechtszaak.

  • drinkenA1неправильный

    dronk · dronken · hebben gedronken

    пить

    Wat wil je drinken?

  • drogenA2

    droogde · hebben/zijn gedroogd

    сушить; сохнуть

    Ik hang de was buiten om te drogen.

  • dromenA1

    droomde · hebben gedroomd

    видеть сны, мечтать

    Ik droomde vannacht over mijn familie.

  • duikenB1неправильный

    dook · doken · hebben/zijn gedoken

    нырять

    De jongens duiken van de brug in het water.

  • durenA2

    duurde · hebben geduurd

    длиться

    Hoe lang duurt de les?

  • durvenA1

    durfde · hebben gedurfd

    осмеливаться

    Ik durf het niet te vragen.

  • dweilenA2

    dweilde · hebben gedweild

    мыть пол

    De vloer moet nog gedweild worden.

  • dwingenB1неправильный

    dwong · dwongen · hebben gedwongen

    заставлять

    Niemand kan je dwingen om te stoppen met je studie.