Словарь
14 слов · страница 1 из 1
dansenA2
danste · hebben gedanst
танцевать
Op het feest werd er gedanst.
delenA1
deelde · hebben gedeeld
делить(ся)
We delen de kosten samen.
denkenA1неправильный
dacht · dachten · hebben gedacht
думать
Ik denk dat het goed komt.
doenA1неправильный
deed · deden · hebben gedaan
делать
Wat doe je in het weekend?
downloadenA2
downloadde · hebben gedownload
скачивать
Download de app op je telefoon.
draaienA2
draaide · hebben gedraaid
поворачивать, крутить
Draai de sleutel twee keer om in het slot.
dragenA1неправильный
droeg · droegen · hebben gedragen
носить
Hij draagt een zwarte jas.
dreigenA2
dreigde · hebben gedreigd
угрожать
Hij dreigde met een rechtszaak.
drinkenA1неправильный
dronk · dronken · hebben gedronken
пить
Wat wil je drinken?
drogenA2
droogde · hebben/zijn gedroogd
сушить; сохнуть
Ik hang de was buiten om te drogen.
dromenA1
droomde · hebben gedroomd
видеть сны, мечтать
Ik droomde vannacht over mijn familie.
durenA2
duurde · hebben geduurd
длиться
Hoe lang duurt de les?
durvenA1
durfde · hebben gedurfd
осмеливаться
Ik durf het niet te vragen.
dweilenA2
dweilde · hebben gedweild
мыть пол
De vloer moet nog gedweild worden.

