Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

189 слов · страница 1 из 8

  • baanA2

    работа

    Zij heeft een nieuwe baan gevonden.

  • baasA2

    начальник

    Mijn baas is vandaag afwezig.

  • babyA1

    младенец

    De baby slaapt nu.

  • badkamerA1

    ванная

    De badkamer is boven.

  • badkuipA2

    ванна

    In deze badkamer staat geen badkuip.

  • bagageA2

    багаж

    Laat je bagage niet alleen achter.

  • bakkenA2

    жарить, печь

    Ik bak een ei voor het ontbijt.

  • bakkerA2

    пекарня, пекарь

    Ik haal brood bij de bakker.

  • balkonA2

    балкон

    Op het balkon staan planten.

  • banaanA1

    банан

    Wil je een banaan?

  • bandA2

    шина, покрышка

    Mijn band is lek.

  • bangA2

    испуганный

    Ik ben bang voor honden.

  • bankA2

    банк

    Ik heb een rekening bij deze bank.

  • bankafschriftB1

    выписка со счёта

    Op het bankafschrift zie je alle betalingen.

  • bankkostenB1

    банковские комиссии

    De bankkosten zijn dit jaar verhoogd.

  • bankrekeningA2

    банковский счёт

    Je hebt een bankrekening nodig voor je salaris.

  • batterijA1

    батарейка

    De batterij is leeg.

  • bedA1

    кровать

    Ik ga vroeg naar bed.

  • bedankenA2

    благодарить

    Ik wil je bedanken voor je hulp.

  • bedervenA2

    портиться

    Vlees bederft snel in de warmte.

  • bedoelenB1

    иметь в виду

    Wat bedoel je precies?

  • bedragA2

    сумма

    Het bedrag staat onderaan de rekening.

  • bedrijfA2

    компания, фирма

    Zij werkt bij een groot bedrijf.

  • bedrijfscultuurB1

    корпоративная культура

    De bedrijfscultuur hier is informeel.

  • bedrijfskledingA2

    рабочая форма

    De bedrijfskleding krijg je van je werkgever.