Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

25 слов · страница 1 из 1

  • bakkenA2

    жарить, печь

    Ik bak een ei voor het ontbijt.

  • bedankenA2

    благодарить

    Ik wil je bedanken voor je hulp.

  • bedervenA2

    портиться

    Vlees bederft snel in de warmte.

  • bedoelenB1

    иметь в виду

    Wat bedoel je precies?

  • beginnenA2

    начинать(ся)

    De les begint om negen uur.

  • begrijpenB1

    понимать

    Ik begrijp de vraag niet helemaal.

  • belovenB1

    обещать

    Hij beloofde het morgen af te maken.

  • benaderenB1

    обращаться к

    U kunt ons per e-mail benaderen.

  • bepalenA2

    определять

    Jij mag bepalen waar we eten.

  • bereidenA2

    готовить (блюдо)

    Dit gerecht is makkelijk te bereiden.

  • bereikenA2

    достигать; связаться

    Je kunt mij het beste per mail bereiken.

  • besluitenA2

    решать

    We hebben besloten te verhuizen.

  • besprekenB1

    обсуждать

    Dat bespreken we morgen in de vergadering.

  • bestaanA2

    существовать

    Zo'n regel bestaat hier niet.

  • bestellenA2

    заказывать

    Zullen we pizza bestellen?

  • betalenA2

    платить

    Kan ik met pin betalen?

  • betekenenA2

    означать

    Wat betekent dit woord?

  • bevestigenB1

    подтверждать

    Kunt u de afspraak per mail bevestigen?

  • bewarenA2

    хранить

    Bewaar deze brief goed.

  • bewegenB1

    двигаться

    Probeer elke dag genoeg te bewegen.

  • bezoekenA2

    посещать

    We bezoeken zondag mijn ouders.

  • bezorgenA2

    доставлять

    Ze bezorgen het pakket morgen.

  • bijkomenB1

    приходить в себя

    Ik ben nog aan het bijkomen van de reis.

  • blijvenA2

    оставаться

    Blijf je vanavond eten?

  • brengenA2

    приносить, отвозить

    Ik breng de kinderen naar school.