Словарь
109 слов · страница 4 из 5
bonA2
чек
Bewaar de bon voor de garantie.
boodschappenA2
продукты, покупки
Ik doe zaterdag boodschappen.
boodschappenlijstjeA2
список покупок
Ik maak altijd een boodschappenlijstje.
boodschappentasA2
сумка для покупок
Neem je eigen boodschappentas mee.
boonA1
фасоль, боб
Er staan bonen op het menu.
boosA2
сердитый
Hij was boos op zijn collega.
bordA1
тарелка
Zet de borden op tafel.
borgA2
залог
De borg krijg je later terug.
borstA1
грудь
Hij voelt pijn op zijn borst.
boterA1
масло
Doe wat boter op je brood.
boterhamA1
бутерброд
Ik neem twee boterhammen mee.
bovenA1
наверху, над
De slaapkamers zijn boven.
bovendienA2
кроме того
Het is duur en bovendien ver weg.
breedA1
широкий
Dit is een brede straat.
brengenA2
приносить, отвозить
Ik breng de kinderen naar school.
briefA1
письмо
Ik heb een brief van de gemeente gekregen.
brievenbusA1
почтовый ящик
Er zit post in de brievenbus.
brilA1
очки
Zonder bril zie ik niets.
broekA1
брюки
Deze broek is te lang.
broerA1
брат
Mijn broer woont in België.
broodA1
хлеб
Ik eet elke ochtend brood.
brugA2
мост
De brug is open voor een boot.
bruinA1
коричневый
Ik eet liever bruin brood.
budgetA2
бюджет
Mijn budget voor deze maand is op.
buikA1
живот
Ik heb buikpijn.

