Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

19 слов · страница 1 из 1

  • aanbiedenA2

    предлагать

    Zij bood aan om te helpen.

  • aandringenB1

    настаивать

    Hij bleef aandringen op een antwoord.

  • aankomenA2

    прибывать

    Wij komen om acht uur aan.

  • aanmeldenB1

    записываться, регистрироваться

    U kunt zich online aanmelden.

  • aanpassenA2

    приспосабливать(ся)

    Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.

  • aanradenB1

    советовать

    Ik raad je aan om vroeg te komen.

  • aanrakenA2

    трогать

    Raak de hete pan niet aan.

  • aansprekenB1

    обращаться к, делать замечание

    Ik durfde hem er niet op aan te spreken.

  • aansturenB1

    руководить

    Zij stuurt een team van acht mensen aan.

  • aanvragenB1

    подавать заявление на

    Je kunt de toeslag online aanvragen.

  • aanvullenB1

    дополнять

    Wil iemand dat nog aanvullen?

  • ademenB1

    дышать

    Probeer rustig te ademen.

  • aflossenB1

    погашать (долг)

    We lossen de lening in tien jaar af.

  • afmeldenB1

    отменять запись

    Vergeet niet je af te melden als je niet komt.

  • afrekenenA2

    расплатиться

    Ik ga even afrekenen.

  • afsprekenB1

    договариваться

    Zullen we iets afspreken voor vrijdag?

  • afwassenA2

    мыть посуду

    Wie wast er vanavond af?

  • afwijzenB1

    отклонять

    Mijn aanvraag is afgewezen.

  • antwoordenA2

    отвечать

    Hij antwoordde niet op mijn vraag.