Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

12 слов · страница 1 из 1

  • aansturenB1

    руководить

    Zij stuurt een team van acht mensen aan.

  • delegerenB1

    делегировать

    Een goede leidinggevende kan delegeren.

  • functionerenB1

    справляться, функционировать

    Hij functioneert goed in het team.

  • inwerkenB1

    вводить в курс дела

    Een collega werkt je de eerste week in.

  • ontslaanA2

    увольнять

    Er worden dit jaar geen mensen ontslagen.

  • opzeggenA2

    расторгать, отменять

    Ik wil mijn contract opzeggen.

  • presterenB1

    показывать результат

    Onder druk presteert hij juist beter.

  • samenwerkenB1

    сотрудничать

    We moeten beter samenwerken.

  • solliciterenB1

    подавать заявление о приёме на работу

    Ik heb op drie vacatures gesolliciteerd.

  • verantwoordenB1

    обосновывать, отчитываться

    Je moet je keuzes kunnen verantwoorden.

  • verdienenA2

    зарабатывать

    Hoeveel verdien je per uur?

  • ziekmeldenA2

    сообщить о больничном

    Je moet je voor negen uur ziekmelden.