Словарь
12 слов · страница 1 из 1
inhalenB1
обгонять
Hier mag je niet inhalen.
instappenA2
садиться (в транспорт)
U kunt achterin instappen.
ophalenA2
забирать, заезжать за
Ik haal je om zeven uur op.
overstappenA2
делать пересадку
In Utrecht moet je overstappen.
overstekenB1
переходить (дорогу)
Steek hier voorzichtig over.
parkerenA2
парковаться
Hier mag je niet parkeren.
remmenB1
тормозить
Bij regen moet je eerder remmen.
reserverenB1
бронировать
Je moet vooraf een plaats reserveren.
rijdenA2
ехать, водить
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
tankenB1
заправляться
Ik moet nog even tanken.
uitstappenA2
выходить (из транспорта)
Bij welke halte moet ik uitstappen?
vertrekkenA2
отправляться
De trein vertrekt over vijf minuten.

