Словарь
118 слов · страница 1 из 5
aankomstB1
прибытие
De aankomst is rond middernacht.
aankomsthalA2
зал прилёта
Ik wacht op je in de aankomsthal.
aankomsttijdA2
время прибытия
De aankomsttijd staat op je kaartje.
alternatiefB1
альтернатива
Is er een alternatief voor de auto?
autoverhuurB1
аренда автомобиля
Bij de autoverhuur heb je je rijbewijs nodig.
autoverzekeringB1
автострахование
Een autoverzekering is wettelijk verplicht.
bagageA2
багаж
Laat je bagage niet alleen achter.
bandA2
шина, покрышка
Mijn band is lek.
benzineA2
бензин
De benzine is weer duurder geworden.
bestemmingA2
пункт назначения
Wat is uw eindbestemming?
bijrijderB1
пассажир рядом с водителем
De bijrijder leest de route voor.
boeteB1
штраф
Ik heb een boete gekregen voor te hard rijden.
brugA2
мост
De brug is open voor een boot.
brugopeningB1
разведение моста
Door de brugopening stond het verkeer stil.
busA2
автобус
De bus stopt voor het station.
bushokjeA2
автобусная остановка (навес)
We schuilden in het bushokje voor de regen.
buslijnB1
автобусный маршрут
Buslijn 12 stopt hier vlakbij.
buspasA2
проездной на автобус
Met een buspas reis je goedkoper.
chauffeurA2
водитель
Vraag het even aan de chauffeur.
conducteurA2
кондуктор
De conducteur controleerde de kaartjes.
dienstregelingA2
расписание движения
De dienstregeling verandert in december.
fietsA2
велосипед
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
fietsenstallingA2
велопарковка
Zet je fiets in de fietsenstalling.
fietspadB1
велодорожка
Fiets alsjeblieft op het fietspad.
fietspompA2
велонасос
Heb je een fietspomp voor me?

