Словарь
6 слов · страница 1 из 1
weekA1
неделя
Deze week werk ik thuis.
weekdagA1
будний день
Op weekdagen sta ik vroeg op.
weekendA1
выходные
In het weekend werk ik niet.
wekelijksA1
еженедельно
De les is wekelijks op dinsdag.
winterA1
зима
De winter is hier nat en koud.
woensdagA1
среда
Woensdag zijn de kinderen vrij.

