Словарь
51 слов · страница 1 из 3
achterdeurA1
задняя дверь
Via de achterdeur kom je in de tuin.
badkamerA1
ванная
De badkamer is boven.
bedA1
кровать
Ik ga vroeg naar bed.
belA1
звонок (дверной)
De bel doet het niet.
brievenbusA1
почтовый ящик
Er zit post in de brievenbus.
buitenlampA1
наружный светильник
De buitenlamp gaat automatisch aan.
dekbedA1
одеяло
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
deurA1
дверь
Doe je de deur even dicht?
doucheA1
душ
Ik neem 's ochtends een douche.
drempelA1
порог
Pas op voor de drempel bij de deur.
gangA1
коридор
Zet je schoenen in de gang.
garageA1
гараж
De fiets staat in de garage.
gootsteenA1
раковина
De vuile borden staan in de gootsteen.
hekA1
забор, калитка
Doe het hek achter je dicht.
kachelA1
обогреватель, печь
Zet de kachel wat hoger.
kamerA1
комната
Mijn kamer is niet zo groot.
kastA1
шкаф
Je jas hangt in de kast.
kelderA1
подвал
De fietsen staan in de kelder.
keukenA1
кухня
De keuken is net schoongemaakt.
koelkastA1
холодильник
De melk staat in de koelkast.
kussenA1
подушка
Dit kussen is te hard.
lakenA1
простыня
De lakens moeten in de was.
lampA1
лампа
De lamp in de gang is kapot.
lichtA1
свет
Doe het licht even aan.
matrasA1
матрас
Dit matras is te zacht voor mij.

