Словарь
50 слов · страница 2 из 2
moeA1
усталый
Ik ben vandaag heel moe.
mondA1
рот
Doe je mond open, zegt de tandarts.
nagelA1
ноготь
Mijn nagels zijn te lang.
nekA1
шея
Ik heb een stijve nek.
neusA1
нос
Mijn neus is verstopt.
nierA1
почка
Hij heeft problemen met zijn nieren.
oogA1
глаз
Er zit iets in mijn oog.
oorA1
ухо
Mijn oor doet pijn.
pijnA1
боль
Heb je veel pijn?
polsA1
запястье
Ik heb mijn pols verstuikt.
rugA1
спина
Ik heb last van mijn rug.
schouderA1
плечо
Mijn schouder doet pijn.
slaapA1
сон
Ik heb te weinig slaap gehad.
spierA1
мышца
Na het sporten doen mijn spieren pijn.
sterkA1
сильный
Hij is heel sterk.
tandA1
зуб
Er is een tand afgebroken.
teenA1
палец ноги
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tongA1
язык (орган)
Steek uw tong uit, zegt de dokter.
vingerA1
палец
Ik heb mijn vinger gesneden.
voetA1
ступня
Mijn voet doet zeer.
wangA1
щека
Haar wangen zijn rood van de kou.
wondA1
рана
Maak de wond eerst schoon.
ziekA1
больной
Ik ben vandaag ziek.
ziekteA1
болезнь
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
zwakA1
слабый
Na de griep voelde ik me zwak.

