Словарь
485 слов · страница 11 из 20
mondA1
рот
Doe je mond open, zegt de tandarts.
mondhygiënistB2
гигиенист стоматологический
De mondhygiënist reinigt het tandsteen weg.
nachtrustB2
ночной отдых
Een goede nachtrust doet wonderen.
nagelA1
ноготь
Mijn nagels zijn te lang.
nazorgB1
последующий уход
Na de operatie krijgt u nazorg thuis.
nekA1
шея
Ik heb een stijve nek.
neuroloogB2
невролог
De neuroloog vroeg een scan aan.
neusA1
нос
Mijn neus is verstopt.
nierA1
почка
Hij heeft problemen met zijn nieren.
noodnummerB2
номер экстренной службы
Het noodnummer in Nederland is 112.
ondervoedingB2
недоедание
Ondervoeding komt ook bij ouderen voor.
onderzoekB1
обследование, исследование
Het onderzoek liet niets bijzonders zien.
onderzoeksuitslagB1
результат обследования
De onderzoeksuitslag komt over een week.
ongelukB2
несчастный случай
Het ongeluk gebeurde op de trap.
ontslagbriefB2
выписной эпикриз
De ontslagbrief gaat naar je huisarts.
ontspanningsoefeningB2
упражнение на расслабление
Doe elke avond een ontspanningsoefening.
oogA1
глаз
Er zit iets in mijn oog.
oogartsA2
офтальмолог
De huisarts stuurde mij naar de oogarts.
oogdrukB2
глазное давление
Bij de controle wordt de oogdruk gemeten.
oogmetingB2
проверка зрения
Laat elke twee jaar een oogmeting doen.
oorA1
ухо
Mijn oor doet pijn.
oorpijnA2
боль в ухе
Het kind heeft oorpijn.
operatieA2
операция
De operatie is goed gegaan.
operatiekamerB2
операционная
De patiënt ligt al in de operatiekamer.
opnameduurB2
длительность госпитализации
De gemiddelde opnameduur is korter geworden.

