Словарь
7 слов · страница 1 из 1
hagelslagA1
шоколадная посыпка
Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.
hamA1
ветчина
Ik neem een boterham met ham.
hoeveelheidA2
количество
Gebruik een kleine hoeveelheid zout.
hongerA1
голод
Ik heb honger.
honingA1
мёд
Doe wat honing in je thee.
hoofdgerechtA2
основное блюдо
Het hoofdgerecht was vis met groente.
houdbaarA2
годный (до срока)
De melk is nog twee dagen houdbaar.

