Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

49 слов · страница 1 из 2

  • alleenstaandA1

    одинокий

    Zij is een alleenstaande moeder.

  • babyA1

    младенец

    De baby slaapt nu.

  • bezoekA1

    гости, визит

    We krijgen vanavond bezoek.

  • broerA1

    брат

    Mijn broer woont in België.

  • buurmanA1

    сосед

    De buurman helpt ons vaak.

  • buurvrouwA1

    соседка

    De buurvrouw past op de kinderen.

  • dochterA1

    дочь

    Onze dochter is vijf jaar oud.

  • echtgenootA1

    супруг

    Haar echtgenoot werkt in het buitenland.

  • familieA1

    семья

    Mijn familie komt zondag eten.

  • familiebezoekA1

    визит родственников

    Zondag hebben we familiebezoek.

  • familielidA1

    член семьи

    Er komt een familielid op bezoek.

  • getrouwdA1

    женат / замужем

    Zij is al tien jaar getrouwd.

  • gezinA1

    семья (домохозяйство)

    Ons gezin bestaat uit vier personen.

  • huisgenootA1

    сосед по квартире

    Mijn huisgenoot kookt vanavond.

  • huwelijkA1

    брак, свадьба

    Hun huwelijk was in juni.

  • jarigA1

    именинник

    Mijn zoon is vandaag jarig.

  • jongenA1

    мальчик

    Die jongen is mijn zoon.

  • kleindochterA1

    внучка

    Zijn kleindochter gaat al naar school.

  • kleinkindA1

    внук, внучка

    Zij heeft drie kleinkinderen.

  • kleinzoonA1

    внук

    Haar kleinzoon is net geboren.

  • meisjeA1

    девочка

    Het meisje speelt buiten.

  • mensenA1

    люди

    Er waren veel mensen op het feest.

  • moederA1

    мать

    Mijn moeder woont in Utrecht.

  • neefA1

    двоюродный брат, племянник

    Mijn neef is even oud als ik.

  • nichtA1

    двоюродная сестра, племянница

    Mijn nicht woont in Rotterdam.