Словарь
49 слов · страница 2 из 2
omaA1
бабушка
Mijn oma is tachtig jaar.
oomA1
дядя
Mijn oom woont in Duitsland.
opaA1
дедушка
Mijn opa vertelt graag verhalen.
oudersA1
родители
Mijn ouders wonen nog in Polen.
partnerA1
партнёр
Mijn partner werkt in het onderwijs.
samenA1
вместе
We eten samen om zes uur.
scheidenA1
разводиться
Mijn ouders zijn gescheiden.
schoondochterA1
невестка
Onze schoondochter komt uit Spanje.
schoonmoederA1
свекровь, тёща
Mijn schoonmoeder komt zondag eten.
schoonvaderA1
свёкор, тесть
Mijn schoonvader helpt vaak in de tuin.
schoonzoonA1
зять
Haar schoonzoon werkt in de bouw.
schoonzusA1
невестка, золовка
Mijn schoonzus komt uit Italië.
stiefmoederA1
мачеха
Zijn stiefmoeder woont bij hen in huis.
tanteA1
тётя
Mijn tante komt op bezoek.
trouwenA1
жениться, выходить замуж
Zij gaan in juni trouwen.
tweelingA1
близнецы
Zij heeft een tweeling gekregen.
vaderA1
отец
Mijn vader kookt heel goed.
verloofdA1
помолвленный
Ze zijn sinds vorige maand verloofd.
vriendA1
друг
Hij is een goede vriend van mij.
vriendinA1
подруга, девушка
Mijn vriendin komt uit Spanje.
vriendschapA1
дружба
Onze vriendschap duurt al twintig jaar.
zoonA1
сын
Hun zoon gaat naar school.
zusA1
сестра
Ik bel mijn zus elke week.
zwagerA1
шурин, деверь
Mijn zwager woont in Rotterdam.

