Словарь
334 слов · страница 10 из 14
schuldbewustB2
виноватый (о виде)
Hij keek schuldbewust naar de grond.
schuldgevoelB2
чувство вины
Hij had een schuldgevoel over zijn beslissing.
slikkenB2
сглатывать
Zij slikte even voordat ze antwoordde.
somberA2
унылый, подавленный
In november voel ik me vaak somber.
somberheidB2
мрачность, подавленность
De somberheid verdween met het voorjaar.
spannendB2
волнующий, напряжённый
Het examen vond hij vooral spannend.
spanningB2
напряжение
Er hing spanning in de kamer.
spijtB2
сожаление
Ik heb spijt van die opmerking.
spijtgevoelB2
чувство сожаления
Achteraf hield hij een spijtgevoel over.
spontaniteitB2
спонтанность
Zijn spontaniteit maakt hem geliefd.
spotB2
насмешка
Hij dreef de spot met zijn eigen fouten.
sprakeloosB2
лишившийся дара речи
Het nieuws maakte ons sprakeloos.
standvastigB2
стойкий, непоколебимый
Hij bleef standvastig ondanks de kritiek.
starenB2
пристально смотреть
Zij staarde uit het raam.
stemmingB2
настроение, атмосфера
De stemming in de zaal sloeg om.
stemmingswisselingB2
перепад настроения
Stemmingswisselingen horen bij de puberteit.
strevenB2
стремиться
Wij streven naar een oplossing voor het eind van het jaar.
teleurgesteldA2
разочарованный
Hij was teleurgesteld in het resultaat.
teleurstellendB2
разочаровывающий
De opkomst was teleurstellend.
teleurstellingB2
разочарование
De uitslag was een grote teleurstelling.
terneergeslagenB2
подавленный
Hij zat terneergeslagen in de wachtkamer.
terughoudendB2
сдержанный
De minister reageerde terughoudend.
tevredenB2
довольный
Zij is tevreden met het resultaat.
tevredenheidB2
удовлетворённость
De tevredenheid onder werknemers is gestegen.
thuisgevoelB2
ощущение дома
Na drie jaar kreeg zij eindelijk een thuisgevoel.

