Словарь
18 слов · страница 1 из 1
saamhorigheidB2
сплочённость
Na de ramp groeide de saamhorigheid in het dorp.
sarcasmeB2
сарказм
Het sarcasme droop van zijn opmerking af.
schaamteB2
стыд
Hij voelde schaamte over zijn fout.
schaterlachB2
хохот
Er ging een schaterlach door de zaal.
schrikB2
испуг
Van de schrik liet zij het glas vallen.
schroomB2
стеснение, робость
Zij sprak zonder schroom over haar fouten.
schuldbewustB2
виноватый (о виде)
Hij keek schuldbewust naar de grond.
schuldgevoelB2
чувство вины
Hij had een schuldgevoel over zijn beslissing.
somberA2
унылый, подавленный
In november voel ik me vaak somber.
somberheidB2
мрачность, подавленность
De somberheid verdween met het voorjaar.
spanningB2
напряжение
Er hing spanning in de kamer.
spijtB2
сожаление
Ik heb spijt van die opmerking.
spijtgevoelB2
чувство сожаления
Achteraf hield hij een spijtgevoel over.
spontaniteitB2
спонтанность
Zijn spontaniteit maakt hem geliefd.
spotB2
насмешка
Hij dreef de spot met zijn eigen fouten.
sprakeloosB2
лишившийся дара речи
Het nieuws maakte ons sprakeloos.
stemmingB2
настроение, атмосфера
De stemming in de zaal sloeg om.
stemmingswisselingB2
перепад настроения
Stemmingswisselingen horen bij de puberteit.

