Словарь
153 слов · страница 5 из 7
ruikenA2
пахнуть, нюхать
Het ruikt hier lekker.
schoonmakenA2
убирать
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA2
писать
Schrijf je naam op het formulier.
slapenA2
спать
Ik heb slecht geslapen.
sluitenA1
закрывать
De deur sluit automatisch.
spelenA1
играть
De kinderen spelen in de tuin.
sprekenA2
говорить
Spreekt u Nederlands?
springenA1
прыгать
Hij sprong over de sloot.
staanA1
стоять
De auto staat voor het huis.
stoppenA2
прекращать, останавливать
Hij is gestopt met roken.
sturenA1
отправлять
Ik stuur je vanavond een bericht.
tekenenA2
рисовать
Mijn dochter tekent graag.
tellenA1
считать
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
terugkomenA2
возвращаться
Hij komt volgende week terug.
thuisblijvenA2
оставаться дома
Ik blijf vandaag thuis.
toestaanA2
разрешать
Honden zijn hier niet toegestaan.
uitkomenA2
подходить (о времени)
Komt dinsdag jou goed uit?
uitzoekenA2
выяснять
Ik zoek uit wat de regels precies zijn.
vallenA1
падать
Pas op, je valt bijna.
veranderenA2
менять(ся)
Er is veel veranderd dit jaar.
verbeterenA2
улучшать(ся)
Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.
verbiedenA2
запрещать
Roken is in het gebouw verboden.
vergetenA2
забывать
Ik ben mijn telefoon vergeten.
verkopenA1
продавать
Ze verkopen hier verse groente.
vermijdenA2
избегать
Probeer de spits te vermijden.

