Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

305 слов · страница 4 из 13

  • getalA1

    число

    Schrijf het getal in cijfers.

  • gevenA1

    давать

    Geef mij het zout, alsjeblieft.

  • goedA1

    хороший

    Het gaat goed met mij.

  • goedemorgenA1

    доброе утро

    Goedemorgen, komt u binnen.

  • goedenavondA1

    добрый вечер

    Goedenavond, komt u binnen.

  • goedendagA1

    добрый день

    Goedendag, waarmee kan ik u helpen?

  • graagA1

    охотно, с удовольствием

    Ik drink graag koffie.

  • grijsA1

    серый

    De lucht is vandaag grijs.

  • groenA1

    зелёный

    Het licht is groen, je mag gaan.

  • grootA1

    большой

    Zij wonen in een groot huis.

  • halfA1

    половина

    Het is half acht.

  • halloA1

    привет

    Hallo, hoe gaat het?

  • handdoekA1

    полотенце

    De handdoek hangt in de badkamer.

  • handigA1

    удобный, практичный

    Dat is een handige app.

  • hardA1

    твёрдый; громкий

    Het bed is te hard.

  • hebbenA1

    иметь

    Wij hebben twee kinderen.

  • heelA1

    очень; целый

    Het is heel warm vandaag.

  • helftA1

    половина (часть)

    De helft van de klas was ziek.

  • hetenA1

    называться, зваться

    Hoe heet jij?

  • hierA1

    здесь

    Ik woon hier al drie jaar.

  • hoeA1

    как

    Hoe gaat het met je?

  • hoekA1

    угол

    De bakker zit om de hoek.

  • hoelangA1

    как долго

    Hoelang woon je al in Nederland?

  • hoeveelA1

    сколько

    Hoeveel kost dit?

  • hoiA1

    привет

    Hoi, hoe is het?