Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

153 слов · страница 3 из 7

  • kloppenA2

    быть верным; стучать

    Klopt dit adres?

  • kokenA2

    готовить

    Wie kookt er vanavond?

  • komenA1

    приходить

    Kom je vanavond ook?

  • kopenA1

    покупать

    Ik koop brood bij de bakker.

  • krijgenA1

    получать

    Ik heb een brief gekregen.

  • kunnenA1

    мочь, уметь

    Kun je mij helpen?

  • lachenA1

    смеяться

    We hebben veel gelachen.

  • langskomenA2

    заходить, заглядывать

    Kom je vanavond even langs?

  • latenA2

    позволять; отдавать (в ремонт)

    Ik laat mijn fiets repareren.

  • leggenA1

    класть

    Leg het boek op tafel.

  • lerenA2

    учить(ся)

    Ik leer nu een jaar Nederlands.

  • lezenA2

    читать

    Lees de tekst nog een keer.

  • liggenA1

    лежать, находиться

    Het boek ligt op tafel.

  • lijkenA1

    казаться

    Het lijkt me een goed idee.

  • lopenA1

    ходить пешком

    Ik loop elke dag naar mijn werk.

  • luisterenA2

    слушать

    Luister goed naar de vraag.

  • lukkenA2

    удаваться

    Het is me gelukt!

  • mailenA2

    отправлять по почте (эл.)

    Ik mail je de documenten vanavond.

  • makenA1

    делать, изготавливать

    Ik maak het eten klaar.

  • meedoenA2

    участвовать

    Doe je mee met de cursus?

  • meemakenA2

    переживать, испытывать

    Ik heb veel meegemaakt dit jaar.

  • meenemenA2

    брать с собой

    Neem je paspoort mee.

  • merkenA2

    замечать

    Ik merk dat het beter gaat.

  • missenA2

    пропустить; скучать

    Ik heb de bus gemist.

  • moetenA1

    быть должным

    Ik moet nu weg.