Словарь
473 слов · страница 17 из 19
versturenA2
отправлять
Verstuur het formulier voor vrijdag.
vertellenA1
рассказывать
Vertel eens, hoe was je dag?
verwachtenA2
ожидать
We verwachten hem om zes uur.
verwachtingA2
ожидание
De verwachting is dat het morgen regent.
vierA1
четыре
Wij wonen op nummer vier.
vierdeA1
четвёртый
Dit is mijn vierde les.
vierkantA1
квадратный
Het plein is bijna vierkant.
vijfA1
пять
Het kost vijf euro.
vijfdeA1
пятый
Neem de vijfde straat links.
vijftigA1
пятьдесят
Ik betaal met een briefje van vijftig.
vindenA2
находить; считать
Ik kan het niet vinden.
voelenA2
чувствовать
Ik voel me vandaag beter.
volA1
полный
De bus is helemaal vol.
voorA1
для; перед
Dit cadeau is voor jou.
vooralA2
особенно, главным образом
Ik oefen vooral spreken.
voorbeeldA2
пример
Kun je een voorbeeld geven?
voorbereidenA2
готовить(ся)
Ik bereid me voor op het examen.
voorkomenA2
встречаться; предотвращать
Dat probleem komt hier vaak voor.
voortaanA2
впредь
Voortaan doen we het anders.
voorwaardeA2
условие
Lees eerst de voorwaarden.
vragenA2
спрашивать
Mag ik iets vragen?
vrijA1
свободный
Is deze stoel vrij?
vroegerA2
раньше
Vroeger woonde ik in een dorp.
vrouwA1
женщина
De vrouw leest een boek.
waarA1
где
Waar woon je?

