Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

27 слов · страница 1 из 2

  • waarA1

    где

    Waar woon je?

  • waaromA1

    почему

    Waarom kom je niet?

  • waarschijnlijkA2

    вероятно

    Hij komt waarschijnlijk te laat.

  • wachtenA2

    ждать

    Ik wacht al een half uur.

  • wachtwoordA2

    пароль

    Ik ben mijn wachtwoord vergeten.

  • wandelenA1

    гулять

    We gaan zondag wandelen.

  • wanneerA1

    когда

    Wanneer begint de les?

  • wantA1

    потому что

    Ik blijf thuis, want ik ben ziek.

  • wassenA2

    стирать, мыть

    Ik moet nog kleren wassen.

  • watA1

    что

    Wat doe je?

  • waterA1

    вода

    Drink veel water op een warme dag.

  • wegA1

    дорога

    Deze weg gaat naar het centrum.

  • weggaanA2

    уходить

    Wanneer ga je weg?

  • weggooienA2

    выбрасывать

    Gooi het oude papier weg.

  • weinigA1

    мало

    Ik heb weinig tijd.

  • welkeA1

    какой

    Welke bus moet ik nemen?

  • welkomA1

    добро пожаловать

    Welkom bij ons thuis!

  • wereldA1

    мир

    Nederlandse kaas is bekend in de hele wereld.

  • werkA1

    работа

    Ik ga om acht uur naar mijn werk.

  • werkenA1

    работать

    Zij werkt in een ziekenhuis.

  • wetenA1

    знать

    Ik weet het niet.

  • wieA1

    кто

    Wie is dat?

  • willenA1

    хотеть

    Ik wil graag koffie.

  • witA1

    белый

    De muren zijn wit geverfd.

  • wonenA1

    жить, проживать

    Wij wonen in Utrecht.