Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

16 слов · страница 1 из 1

  • vallenA1

    падать

    Pas op, je valt bijna.

  • veranderenA2

    менять(ся)

    Er is veel veranderd dit jaar.

  • verbeterenA2

    улучшать(ся)

    Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.

  • verbiedenA2

    запрещать

    Roken is in het gebouw verboden.

  • vergetenA2

    забывать

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

  • verkopenA1

    продавать

    Ze verkopen hier verse groente.

  • vermijdenA2

    избегать

    Probeer de spits te vermijden.

  • verplaatsenA2

    переносить

    Kunnen we de afspraak verplaatsen?

  • versturenA2

    отправлять

    Verstuur het formulier voor vrijdag.

  • vertellenA1

    рассказывать

    Vertel eens, hoe was je dag?

  • verwachtenA2

    ожидать

    We verwachten hem om zes uur.

  • vindenA2

    находить; считать

    Ik kan het niet vinden.

  • voelenA2

    чувствовать

    Ik voel me vandaag beter.

  • voorbereidenA2

    готовить(ся)

    Ik bereid me voor op het examen.

  • voorkomenA2

    встречаться; предотвращать

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • vragenA2

    спрашивать

    Mag ik iets vragen?