Словарь
17 слов · страница 1 из 1
radenA1
угадывать
Raad eens wie ik zag!
rechtsA1
направо
De supermarkt is rechts van het station.
redenA2
причина
Wat is de reden van je verhuizing?
regelenA2
устраивать, улаживать
Ik regel het morgen wel.
regelmatigA2
регулярно
Ik sport regelmatig.
reizenA1
путешествовать, ездить
Ik reis elke dag met de trein.
rekenenA2
считать, вычислять
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
rennenA1
бегать
De kinderen rennen door de tuin.
rijkA1
богатый
Zij komt uit een rijke familie.
roepenA1
звать, кричать
Roep me als je klaar bent.
rommelA1
беспорядок
Wat een rommel in deze kamer!
rondA1
круглый
De tafel is rond.
roodA1
красный
Ze draagt een rode jas.
rozeA1
розовый
Zij draagt een roze jurk.
rugzakA1
рюкзак
Mijn boeken zitten in mijn rugzak.
ruikenA2
пахнуть, нюхать
Het ruikt hier lekker.
rustigA2
спокойный, тихий
Het is hier lekker rustig.

