Словарь
30 слов · страница 1 из 2
halenA2
забирать, приносить
Ik haal even brood.
halfA1
половина
Het is half acht.
halloA1
привет
Hallo, hoe gaat het?
handdoekA1
полотенце
De handdoek hangt in de badkamer.
handigA1
удобный, практичный
Dat is een handige app.
hardA1
твёрдый; громкий
Het bed is te hard.
hebbenA1
иметь
Wij hebben twee kinderen.
heelA1
очень; целый
Het is heel warm vandaag.
helaasA2
к сожалению
Helaas kan ik niet komen.
helftA1
половина (часть)
De helft van de klas was ziek.
helpenA2
помогать
Kun je me even helpen?
herinnerenA2
помнить, вспоминать
Ik herinner me haar naam niet meer.
herkennenA2
узнавать
Ik herkende hem meteen.
hetenA1
называться, зваться
Hoe heet jij?
hierA1
здесь
Ik woon hier al drie jaar.
hoeA1
как
Hoe gaat het met je?
hoekA1
угол
De bakker zit om de hoek.
hoelangA1
как долго
Hoelang woon je al in Nederland?
hoeveelA1
сколько
Hoeveel kost dit?
hoewelA2
хотя
Hoewel het regende, gingen we toch.
hoiA1
привет
Hoi, hoe is het?
honderdA1
сто
Dat kost ongeveer honderd euro.
hoogA1
высокий
Dat gebouw is heel hoog.
hopenA1
надеяться
Ik hoop dat het lukt.
horenA1
слышать
Ik hoor je niet goed.

