Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

28 слов · страница 1 из 2

  • gaanA1

    идти, ехать

    Ik ga morgen naar Amsterdam.

  • gebeurenA2

    происходить

    Wat is er gebeurd?

  • gebruikA2

    использование

    Het gebruik van de app is gratis.

  • gebruikelijkA2

    принятый, обычный

    Het is hier gebruikelijk om af te spreken.

  • gebruikenA2

    использовать

    Mag ik je telefoon even gebruiken?

  • geelA1

    жёлтый

    De bloemen in de tuin zijn geel.

  • geenA1

    нет, никакой

    Ik heb geen tijd.

  • geldenA2

    действовать, распространяться

    Deze regel geldt voor iedereen.

  • gelijkA1

    прав; одинаковый

    Je hebt gelijk.

  • gelovenA1

    верить

    Ik geloof je wel.

  • gelukA1

    удача, счастье

    Veel geluk met je nieuwe baan!

  • gemiddeldA2

    в среднем

    Ik werk gemiddeld dertig uur per week.

  • genoegA1

    достаточно

    Er is genoeg eten voor iedereen.

  • gereedschapA1

    инструменты

    Het gereedschap ligt in de schuur.

  • geschiktA2

    подходящий

    Deze woning is geschikt voor een gezin.

  • getalA1

    число

    Schrijf het getal in cijfers.

  • gevenA1

    давать

    Geef mij het zout, alsjeblieft.

  • gevolgA2

    последствие

    Dat heeft grote gevolgen voor ons.

  • gewoonteA2

    привычка

    Vroeg opstaan is een goede gewoonte.

  • goedA1

    хороший

    Het gaat goed met mij.

  • goedemorgenA1

    доброе утро

    Goedemorgen, komt u binnen.

  • goedenavondA1

    добрый вечер

    Goedenavond, komt u binnen.

  • goedendagA1

    добрый день

    Goedendag, waarmee kan ik u helpen?

  • graagA1

    охотно, с удовольствием

    Ik drink graag koffie.

  • grijsA1

    серый

    De lucht is vandaag grijs.