Словарь
73 слов · страница 3 из 3
reagerenB1
реагировать, отвечать
Hij heeft nog niet op mijn mail gereageerd.
relativerenB2
рассматривать в контексте
Je moet die cijfers wel relativeren.
samenvattenB2
кратко излагать
Kun je het kort samenvatten?
tegensprekenB2
противоречить
Die cijfers spreken elkaar tegen.
terugbellenB1
перезванивать
Kunt u mij vanmiddag terugbellen?
toegevenB1
признавать
Ze gaf toe dat ze fout zat.
toelichtenB2
пояснять, разъяснять
Kunt u uw standpunt toelichten?
uiteenzettenB2
излагать
Hij zette zijn plan uitgebreid uiteen.
uitleggenB1
объяснять
Kun je dat nog een keer uitleggen?
uitnodigenB1
приглашать
Ze hebben ons uitgenodigd voor het feest.
uitpratenB2
договорить
Mag ik even uitpraten?
vaststellenB2
констатировать, устанавливать
Wij stellen vast dat er niets is veranderd.
verduidelijkenB2
уточнять, разъяснять
Kunt u dat punt verduidelijken?
veronderstellenB2
предполагать
We veronderstellen dat de cijfers kloppen.
verwijtenB2
упрекать
Zij verwijt hem zijn stilzwijgen.
verwijzenB2
ссылаться
De auteur verwijst naar eerder onderzoek.
verwoordenB2
выражать словами
Hij kon zijn kritiek goed verwoorden.
verzoekenB1
просить (официально)
Wij verzoeken u het formulier te ondertekenen.
voorstellenB1
предлагать; представлять
Mag ik een andere datum voorstellen?
waarschuwenB1
предупреждать
Ik had je nog gewaarschuwd.
weerleggenB2
опровергать
Dat argument is makkelijk te weerleggen.
weersprekenB2
противоречить, опровергать
De feiten weerspreken zijn verhaal.
weigerenB1
отказываться
Hij weigerde het voorstel.

